maandag 28 oktober 2013

Door de Negev in de oude tijden


Fenicische handel in de Negev.

In de bijbel wordt in boek 1 Koningen en boek 2 Kronieken gewas gemaakt van de Fenicische zeehandel op de Rode zee.

De koning Salomon (970-931 v.C) liet een vloot bouwen te Ezion-Guéver, dat dichtbij Elath ligt aan de zeekust van “souph”in het land van Edom.

En Hiram stuurde zijn dienaren naar de schepen en zeelieden, die de zee kenden samen met de dienaren van Salomon.

Zij gingen naar Ophir en daar namen zij goud mee: 420 talenten. Zij brachten het naar Salomo.

En verder bracht de vloot van Hiram, die het goud van Ophir had gehaald, van Ophir “almouggîm”-hout in zeer grote hoeveelheden en ook kostbare stenen. En de koning liet met het “almouggîm”-hout steunen maken voor het huis van YHWH en voor het huis van de koning, alsook cithers en harpen voor de zangers. Men heeft sindsdien geen “almouggîm”-hout meer geïmporteerd en men ziet het tegenwoordig niet meer.

De koning had op zee een Tarshish vloot in samenwerking met de vloot van Hiram. Eens in de drie jaar ging de Tarshish-vloot zilver, ivoor, apen en bavianen halen.

Ezion-Geber kan zijn:

1.Tell el-Kheleifeh

2.Jeziret Far ‘un

Het is opmerkelijk, dat bij de omzeiling van Afrika (Herodotos) ook het getal van drie jaren wordt genoemd.

Een eeuw later: Josaphat (871-846 v.C). I Koningen 22,48-50:

Er was geen koning te Edom, maar alleen een gouverneur hield er zich op. Josaphat liet 10 Fenicische schepen maken om er mee naar Ophir te gaan teneinde goud te zoeken, maar ze gingen niet, want de schepen sloegen kapot te Ezion-Guéver. Dus zei Achazyahu, zoon van Achab, tegen Josaphat: “Dat mijn dienaren met jouw dienaren naar de boten gaan!”, maar Josaphat wilde dat niet.

Dit moet zich rond 853-852 v.C hebben afgespeeld.

In de periode 790-750 v.C regeert Jeroboam van Israël. Hij is samen met de Tyriërs actief te Kuntillet ‘Arjud.

Tegen het einde van de 8e eeuw wordt in de Tell Qasilé (monding Yarkon) een inscriptie vervaardigd met de tekst: 30 shéqels van goud van Ophir zbh.’pr.

Samaria gaat nu onder Assyrië vallen en Edom controleert Elath en omgeving.

De handelsroute over het land loopt van Akko naar Beth-Shéan aan de Jordaan. Dan langs de Dode zee via de Aravah depressie naar Elath. Te Tell es-Sa ídiyeh wordt nog een Fenicische kruik uit het einde van de 7e eeuw v.C teruggevonden.

Dan gaan de Assyriërs de Fenicische handel op Egypte en Filistia verbieden.

Ezechiel 27, 15-16:

De Dedanieten waren tussenpersonen; talrijke eilanden/kusten waren hun commerciële partners; ivoor en eboniehout namen ze mee bij terugkeer. Edom was haar commerciële partner voor het merendeel van de producten: karbonkel, purper, borduursel, byssus, koraal, robijn, zij bevoorraden hun opslagplaatsen.

Ezechiel 27, 20-22:

Dedan was je tussenpersoon voor de zadelmakerij. Arabië en alle prinsen van Qédan waren je commerciële partners. Je verhandelde met hen schapen, rammen en bokken. De handelaren van Saba en Raamah waren je tussenpersonen. Met de beste reukwaren, met alle kostbare stenen en met goud bevoorraden zij je opslagplaatsen.

Herodotos in Historiën III, 5:

Van Fenicië tot aan de grenzen van Cadytis (=Gaza) behoort het land aan de Syriërs, die men de Syriërs van Palestina noemt;

Van Cadytis …. Behoren de faktorijen (emporia) langs de kust tot aan de stad Ienysos aan de Arabieren.

In de Perzische tijd heersen de Arabieren over de Negev en de Sinaï. De Feniciërs gebruiken de route Gaza-Elath. Zie bijvoorbeeld de inscriptie nr.8058 (5e eeuw v.C) en een ostracon nr.2070 van Tell Kheleifeh (400 v.C).

 

56.5   Les Phéniciens et le commerce     A Lemaire
       entre la Mer Rouge et la Mer
       Méditerranée

ncfps

Geen opmerkingen:

Een reactie posten