Fenicische handel in de Negev.
In de bijbel wordt in boek 1 Koningen en boek 2
Kronieken gewas gemaakt van de Fenicische zeehandel op de Rode zee.
De koning Salomon (970-931 v.C) liet een vloot bouwen te
Ezion-Guéver, dat dichtbij Elath ligt aan de zeekust van “souph”in het land van
Edom.
En Hiram
stuurde zijn dienaren naar de schepen en zeelieden, die de zee kenden samen met
de dienaren van Salomon.
Zij gingen
naar Ophir en daar namen zij goud mee: 420 talenten. Zij brachten het naar
Salomo.
En verder
bracht de vloot van Hiram, die het goud van Ophir had gehaald, van Ophir
“almouggîm”-hout in zeer grote hoeveelheden en ook kostbare stenen. En de
koning liet met het “almouggîm”-hout steunen maken voor het huis van YHWH en
voor het huis van de koning, alsook cithers en harpen voor de zangers. Men
heeft sindsdien geen “almouggîm”-hout meer geïmporteerd en men ziet het
tegenwoordig niet meer.
De koning had op zee een
Tarshish vloot in samenwerking met de vloot van Hiram. Eens in de drie jaar
ging de Tarshish-vloot zilver, ivoor, apen en bavianen halen.
Ezion-Geber kan zijn:
1.Tell el-Kheleifeh
2.Jeziret Far ‘un
Het is opmerkelijk, dat bij de omzeiling van Afrika
(Herodotos) ook het getal van drie jaren wordt genoemd.
Een eeuw later: Josaphat (871-846 v.C). I Koningen
22,48-50:
Er was geen koning te Edom, maar
alleen een gouverneur hield er zich op. Josaphat liet 10 Fenicische schepen
maken om er mee naar Ophir te gaan teneinde goud te zoeken, maar ze gingen
niet, want de schepen sloegen kapot te Ezion-Guéver. Dus zei Achazyahu, zoon
van Achab, tegen Josaphat: “Dat mijn dienaren met jouw dienaren naar de boten
gaan!”, maar Josaphat wilde dat niet.
Dit moet zich rond 853-852 v.C hebben afgespeeld.
In de periode 790-750 v.C regeert Jeroboam van
Israël. Hij is samen met de Tyriërs actief te Kuntillet ‘Arjud.
Tegen het einde van de 8e eeuw wordt in
de Tell Qasilé (monding Yarkon) een inscriptie vervaardigd met de tekst: 30 shéqels van goud van Ophir zbh.’pr.
Samaria gaat nu onder Assyrië
vallen en Edom controleert Elath en omgeving.
De handelsroute over het land loopt van Akko naar
Beth-Shéan aan de Jordaan. Dan langs de Dode zee via de Aravah depressie naar
Elath. Te Tell es-Sa ídiyeh wordt nog een Fenicische kruik uit het einde van de
7e eeuw v.C teruggevonden.
Dan gaan de Assyriërs de Fenicische handel op Egypte
en Filistia verbieden.
Ezechiel 27, 15-16:
De Dedanieten waren
tussenpersonen; talrijke eilanden/kusten waren hun commerciële partners; ivoor
en eboniehout namen ze mee bij terugkeer. Edom was haar commerciële partner
voor het merendeel van de producten: karbonkel, purper, borduursel, byssus,
koraal, robijn, zij bevoorraden hun opslagplaatsen.
Ezechiel 27, 20-22:
Dedan was je tussenpersoon voor
de zadelmakerij. Arabië en alle prinsen van Qédan waren je commerciële
partners. Je verhandelde met hen schapen, rammen en bokken. De handelaren van
Saba en Raamah waren je tussenpersonen. Met de beste reukwaren, met alle kostbare
stenen en met goud bevoorraden zij je opslagplaatsen.
Herodotos in Historiën III, 5:
Van Fenicië
tot aan de grenzen van Cadytis (=Gaza)
behoort het land aan de Syriërs, die men de Syriërs van Palestina noemt;
Van Cadytis ….
Behoren de faktorijen (emporia) langs de kust tot aan
de stad Ienysos aan de Arabieren.
In de Perzische tijd heersen de Arabieren over de
Negev en de Sinaï. De Feniciërs gebruiken de route Gaza-Elath. Zie bijvoorbeeld
de inscriptie nr.8058 (5e eeuw v.C) en een ostracon nr.2070 van Tell
Kheleifeh (400 v.C).
56.5 Les
Phéniciens et le commerce A Lemaire
entre la
Mer Rouge et la MerMéditerranée
ncfps
Geen opmerkingen:
Een reactie posten