zondag 2 juni 2013

Handel en wandel


Handel en wandel in de oudste Oudheid.

Omstreeks 2000 v.C. moet er een uniforme cultuur zijn geweest rond de Perzische golf. Deens archeologen hebben in de winter van 1953/54 na Chr. verschillende opgravingen verricht te Bahrein, Qatar, Abu Clhalbi en Failaka. De streek rond de Perzische golf stond in contact met Mesopotamië en de Indus-vallei (Meluchcha). Bahrein (Tilmun) was bij uitstek het tussenstation. De landingsplaats hier was in een baai bij de kaap Djebel Duchan. Zelf heeft het eiland niets te bieden, maar de gevonden nederzetting was stedelijk van aard. Op het eiland Umm an-Nar voor de kust van Abu Dhabi zijn graven gevonden met daarin Indische voorwerpen.

In 1960 na Chr.ondernemen Amerikaanse onderzoekers een tocht langs de kusten van de Perzische golf en vinden twee nederzettingen uit die tijd:

-         Sutkagen Dor bij Dasht;

-         Sotka-Koh bij Pasni.

Beide plaatsen bevinden zich nu in het Iraans/Pakistaanse grensgebied.

Koper, hout, dioriet, kornalijn, goud, dadels en steatiet waren belangrijke producten om te verschepen en te verhandelen. Vanuit Failaka ging met langs de Arabische kust tot Bahrein. Daar stak men over via Umm an-Nar naar de Perzische kust om oostwaarts de Indus-vallei te kunnen bereiken. Andersom nam men oveneens bij voorkeur deze route. Het land Magan lijkt te liggen in wat we nu Oman noemen. Hier kwam o.a. de zwarte steen (dioriet) vandaan, die Gudea van Lagash (ca.2144-2124 v.C) liet gebruiken voor de vervaardiging van beelden. Het is echter het rijk van Ur, dat een belangrijke rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van deze handel. Bovendien werd de handel nu ook naar het noord en westen ontplooid. De stad Ebla (Tell Mardikh) krijgt een grote betekenis in de periode 2400-2250 v.C. Via Gubla/Byblos (cederhout) werd contact gelegd met Egypte. We treffen daar lapislazuli aan, dat afkomstig was uit Afghanistan.

In de 16e eeuw v.C. verwoest de vulkaanuitbarsting van Thera met de daarbij behorende vloedgolf de hoge cultuur van de Kretenzers. Kreta had in die tijd al nauwe betrekkingen met een andere grote handelsplaats in het Nabije Oosten: Ugarit. Na Kreta neemt Mycene die rol over. De handelsproducten waren vooral olie, slaven, wijn, maar vooral koper. Op Cyprus komt de koperindustrie tussen 1575 – 1050 v.C. tot grote bloei. Tin kwam uit het westelijke Middellandse zeegbied en barnsteen kwam uit het noorden. Het scheepswrak van Gelidonya (in 1958 na Chr.gevonden) geeft een goed inzicht van de vervoerde producten: koperbaren (60x45cm), rechthoekige tinstaven, glaskralen, gereedschap, scarabees en keramiek. Het schip stamt uit ca.1200 v.C.

De storm van de zeevolken vaagt omstreeks 1200 v.C. vele betrekkingen, handelswegen en steden weg. De Feniciërs staan klaar om in het gat in de markt te springen. Hier vindt ook een enorme opleving van de ijzerindustrie plaats. Na 1000 v.C. ontstaat er contact tussen Zuid-Arabië en de Levant. Tyrische vaklui bouwen en bemannen schepen in Elat. In Ophir worden zaken gehaald als goud, ebbenhout, zilver, apen, pauwen. Het is ook de tijd, dat de kameel wordt geintroduceerd als transportmiddel.

De havens van de Feniciërs komen tot een enorme ontplooiing. In Sidon konden meer dan 100 schepen tegelijk ankeren. In Tyrus kwam een golfbreker van 225 meter tot stand om de schepen te behoeden voor de NW winden. De producten van Fenicië zijn de landbouwproducten (olijven, vijgen, graan), de  glas- en purperfabricage en het hout. En dat alles werd in vrachtscheepjes getransporteerd van ten hoogste 250 ton, waarbij per dag ca.30 zeemijlen werden afgelegd.

 

8.6.Handel und Händler   H.Klengel          Leipzig 1979

           

Geen opmerkingen:

Een reactie posten