Handel en wandel in de oudste Oudheid.
Omstreeks 2000 v.C. moet er een uniforme cultuur
zijn geweest rond de Perzische golf. Deens archeologen hebben in de winter van
1953/54 na Chr. verschillende opgravingen verricht te Bahrein, Qatar, Abu
Clhalbi en Failaka. De streek rond de Perzische golf stond in contact met
Mesopotamië en de Indus-vallei (Meluchcha). Bahrein (Tilmun) was bij uitstek
het tussenstation. De landingsplaats hier was in een baai bij de kaap Djebel
Duchan. Zelf heeft het eiland niets te bieden, maar de gevonden nederzetting
was stedelijk van aard. Op het eiland Umm an-Nar voor de kust van Abu Dhabi
zijn graven gevonden met daarin Indische voorwerpen.
In 1960 na Chr.ondernemen Amerikaanse onderzoekers
een tocht langs de kusten van de Perzische golf en vinden twee nederzettingen
uit die tijd:
-
Sutkagen Dor bij Dasht;
-
Sotka-Koh bij Pasni.
Beide plaatsen bevinden zich nu in het
Iraans/Pakistaanse grensgebied.
Koper, hout, dioriet, kornalijn, goud, dadels en
steatiet waren belangrijke producten om te verschepen en te verhandelen. Vanuit
Failaka ging met langs de Arabische kust tot Bahrein. Daar stak men over via
Umm an-Nar naar de Perzische kust om oostwaarts de Indus-vallei te kunnen
bereiken. Andersom nam men oveneens bij voorkeur deze route. Het land Magan
lijkt te liggen in wat we nu Oman noemen. Hier kwam o.a. de zwarte steen
(dioriet) vandaan, die Gudea van Lagash (ca.2144-2124 v.C) liet gebruiken voor
de vervaardiging van beelden. Het is echter het rijk van Ur, dat een
belangrijke rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van deze handel. Bovendien
werd de handel nu ook naar het noord en westen ontplooid. De stad Ebla (Tell
Mardikh) krijgt een grote betekenis in de periode 2400-2250 v.C. Via
Gubla/Byblos (cederhout) werd contact gelegd met Egypte. We treffen daar
lapislazuli aan, dat afkomstig was uit Afghanistan.
In de 16e eeuw v.C. verwoest de
vulkaanuitbarsting van Thera met de daarbij behorende vloedgolf de hoge cultuur
van de Kretenzers. Kreta had in die tijd al nauwe betrekkingen met een andere
grote handelsplaats in het Nabije Oosten: Ugarit. Na Kreta neemt Mycene die rol
over. De handelsproducten waren vooral olie, slaven, wijn, maar vooral koper.
Op Cyprus komt de koperindustrie tussen 1575 – 1050 v.C. tot grote bloei. Tin
kwam uit het westelijke Middellandse zeegbied en barnsteen kwam uit het
noorden. Het scheepswrak van Gelidonya (in 1958 na Chr.gevonden) geeft een goed
inzicht van de vervoerde producten: koperbaren (60x45cm), rechthoekige
tinstaven, glaskralen, gereedschap, scarabees en keramiek. Het schip stamt uit
ca.1200 v.C.
De storm van de zeevolken vaagt omstreeks 1200 v.C.
vele betrekkingen, handelswegen en steden weg. De Feniciërs staan klaar om in
het gat in de markt te springen. Hier vindt ook een enorme opleving van de
ijzerindustrie plaats. Na 1000 v.C. ontstaat er contact tussen Zuid-Arabië en
de Levant. Tyrische vaklui bouwen en bemannen schepen in Elat. In Ophir worden
zaken gehaald als goud, ebbenhout, zilver, apen, pauwen. Het is ook de tijd,
dat de kameel wordt geintroduceerd als transportmiddel.
De havens van de Feniciërs komen tot een enorme
ontplooiing. In Sidon konden meer dan 100 schepen tegelijk ankeren. In Tyrus
kwam een golfbreker van 225 meter tot stand om de schepen te behoeden voor de
NW winden. De producten van Fenicië zijn de landbouwproducten (olijven, vijgen,
graan), de glas- en purperfabricage en
het hout. En dat alles werd in vrachtscheepjes getransporteerd van ten hoogste
250 ton, waarbij per dag ca.30 zeemijlen werden afgelegd.
8.6.Handel und Händler H.Klengel Leipzig 1979
Geen opmerkingen:
Een reactie posten